De Bondgenotenlaan

Relevante fragmenten uit een paper die ik ooit schreef.

“La Rue de la Station […] représente le Louvain moderne.” Zo begint stadsarchivaris Edward Van Even in 1895 het hoofdstuk over de toenmalige Statiestraat in zijn boek Louvain dans le passé et dans le présent.1 Die bewering doet vreemd aan wanneer men vandaag door diezelfde straat, ondertussen bekend als de Bondgenotenlaan, wandelt. Ondanks de nieuwbouw hier en daar zijn het merendeel van de gebouwen nog steeds herenhuizen in neostijl. De Eerste Wereldoorlog heeft paradoxaal genoeg de 'moderniteit' weggevaagd.

Toen het station van Leuven in 1839 gebouwd werd, vond het Leuvense stadsbestuur het belangrijk om dit station met een nieuwe straat te verbinden met het centrum. De bouw ervan gebeurde in verscheidene fases en plannen, om in 1864 geheel doorgetrokken te worden tot de grote markt.2 De voltooide Statiestraat werd gekenmerkt door uniforme bepleisterde neoklassieke architectuur.3 Zo'n straatbeeld past beter bij het citaat van Van Even.

Na de Duitse inval in België werd ook Leuven bezet. Op de avond van van 25 augustus 1914 vond de brand van Leuven plaats. Duitse getuigenissen meenden dat dit een genoodzaakte reactie was op Leuvense francs-tireurs die hen beschoten, journalisten getuigden echter dat Duitsers per vergissing op elkaar zijn gaan schieten en dat ze daarna de schuld bij de Leuvense bevolking gelegd hebben. In elk geval werden er veel burgerhuizen in brand gestoken, en verspreidde het vuur zich aan sneltempo naar andere gebouwen en straten.4

Al meteen na de eerste Duitse oorlogsverwoestingen in België begon er een discussie over wederopbouw. De meest toonaangevende tekst was een publicatie die vanaf oktober 1914 door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verdeeld werd. La reconstruction des villes et villages détruits par la guerre de 1914, geschreven door Charles Lagasse de Locht en Paul Saintenoy, stelde dat het de individuele gebouwen de 'bouwstenen' moesten worden van een coherent straatbeeld. De auteurs meenden dat de lokale pittoreske architectuur naar hun oorspronkelijke toestand hersteld diende te worden. De overige heropbouw kon zich liefst laten inspireren door pre-negentiende-eeuwse stijlen, zonder daarbij te vervallen in pastiche.5

De stad Leuven volgde deze visie volledig. Leuven kende rond het begin van de Eerste Wereldoorlog een politiereglement op bouwvergunningen, daarenboven werd net voor de oorlog de controlerende functie van het stadsbestuur op bouwaanvragen uitgebreid. Deze bevoegdheid diende in essentie voor het controleren van de rooilijnen, maar door een vage formulering kon het veel breder geïnterpreteerd worden. Al in 1916 besliste de stad Leuven om esthetische vereisten aan de reglementen toe te voegen.

Het vernieuwde politiereglement op de wegenaanleg stelde uitdrukkelijk dat de architect in oude wijken zich moest laten leiden door lokale architectuurtradities die de negentiende eeuw predateerden. Moderne vormen en technieken werden aangemoedigd in de nieuwe wijken, voor zover deze aansloten bij de lokale architectuurtraditie. In kader van dit reglement werd als adviesgevend orgaan het Raadgevend Comiteit voor het Stedeschoon opgericht.6 Dit alles gebeurde onder de Duitse bezetter. Het merendeel van de Leuvense bouwaanvragen werden door het Duits bewind echter goedgekeurd. In de tussentijd liet de bezettingsmacht muurtjes optrekken op lege perceeltjes om voorlopig een coherenter straatbeeld te bekomen.7

Het Raadgevend Comiteit voor het Stedeschoon, in het Frans het Comité Consultatif de l'Esthétique Urbaine, was samengesteld uit een lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, een architect, een archeoloog en een kunstenaar. Doorgaans waren dit respectievelijk Raymond Lemaire, Vital Vingeroedt, René Maere en Frans Vermeylen. De adviezen waren eerder kort, en zelden werden opgelegde wijzigingen verantwoord. Als doel had zij het bekomen van een homogeen straatbeeld alsook een harmonieuze gevelcompositie. Modernistische architecten uitten vanaf 1917 hun afkeur van de Leuvense regionalistische neostijlen, en pleitten voor sobere en logische architectuur.8

De eerder genoemde reglementen werden in augustus 1918 verscherpt. Concrete voorschriften regelden vanaf dan de gevelmaterialen. Het ging expliciet om een verbod op similisteen in de belangrijkste straten en pleinen, en een beperking in de rest van de stad. Met similisteen, bepleistering in cement om natuursteen na te booten, zou minderwaardige constructie verborgen worden. Tevens vormde de cementbepleistering een gevaar wanneer deze door verwering afbrokkelde.9 Om het commemoratieve aspect van de wederopbouw te benadrukken verplichtte het stadsbestuur om gedenkstenen aan te brengen op de nieuwe gevels.10

Leuven kende nog vele jaren na de oorlog een ernstige woningnood. De Nationale Oud-Strijdersbond van Leuven investeerde bijvoorbeeld in de bouw van negenenzeventig huizen om aan haar leden te verhuren. De door hen opgerichte Samenwerkende Maatschappij Oud-Strijderswijk had een terrein aangekocht waarop een nieuwe straat, de Strijdersstraat, werd aangelegd.11

Voetnoten

  1. Edward Van Even, Louvain dans le passé et le présent. (Leuven: Auguste Fonteyn, 1895), 197.
  2. Van Even, Louvain dans le passé et le présent, 197-198.
  3. Lydie Mondelaers en Claartje Verloove. "Bondgenotenlaan (ID: 9530)" De Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed (2009): z.p., laatste toegang 28 april 2015, https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/9530
  4. Dirk Van Thuyne, 1914. De Duitsers komen. De moordende begindagen van de eerste wereldoorlog in België. (Tielt: Lannoo, 2010), 121-123.
  5. Pieter Uyttenhove en Jo Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914. (Leuven: Universitaire pers, 1991), 119.
  6. Uyttenhove en Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914, 122.
  7. Johan Van den Mooter, Duitse wederopbouwinitiatieven in België tijdens de eerste wereldoorlog. Een onderzoek aan de hand van Johannes Schüllers Neue Kleinhäuser in Belgien erstanden während des Krieges. (Onuitg. Lic. Verh. Universiteit Gent, 2007), 38, 118.
  8. Uyttenhove en Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914, 124-125
  9. Uyttenhove en Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914, 122-123.
  10. Uyttenhove en Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914, 136.
  11. Uyttenhove en Celis, De wederopbouw van Leuven na 1914, 165.